25 Tips voor museumgidsen en kunstdocenten

25 Tips voor museumgidsen en kunstdocenten

 

Onderstaande 25 tips komen uit de nieuwe- in ontwikkeling zijn de -methode “Staging the museum,” een scenario based beleving & trainingtool, bedoeld om museumprofessionals te verbinden aan vrijwilligers in en rondom kleine en middelgrote musea. In deze tijd is het belangrijker dan ooit om vrijwilligers te engageren bij de totale organisatie van een museum. Het ontbreekt musea vaak aan middelen om vrijwilligers bij te scholen. Door voortschrijdende wetenschappelijke inzichten, is het vak van expositie-organisatie steeds complexer geworden, waardoor de afstand tussen museum organisatie en vrijwilliger steeds groter is geworden. In tijden van co-creatie en zelforganisatie is dat eigenlijk een onacceptabel verschijnsel. De methode tracht het gat te dichten tussen vrijwilliger en organisatie.

De meeste museumgidsen zijn vrijwiligers, met lange of kortere ervaring als gids. Vaak zijn ze relatief hoog opgeleid en hebben een redelijk zelfverzekerde houding ten opzichte van “hun” verhaal. Dat “hun” daar moeten we aan sleutelen. Het is weliswaar voor een deel hun eigen vocabulaire, maar er zijn zo veel dingen waar je op moet letten tijdens de tour, dat een uitgebreide training wel is aan te bevelen. Daarnaast hebben veel gidsen blinde vlekken ontwikkeld, gedurende de jaren, die even kunnen worden aangestipt. Een heel belangrijke motivator voor toepassen van deze methode, is het feit dat vrijwilligers binnen een museumorganisatie over het algemeen op een niveau binnen de organisatie zitten, waar nieuw verworven kennis (door de organisatie), vaak aan voorbijgaat. Vanuit academische hoek maar ook vanuit het publiek. Terwijl juist zij degenen zijn die het vaakst interacteren met publiek en aanspreekpunt zijn. 

Er is heel wat veranderd in de afgelopen jaren. De wetenschap van hoe we als mens reageren op verschillende soorten prikkels, hoe gebaren werken, hoe esthetiek in elkaar zit. Kortom, de ingredienten van memorabele belevingen, komen niet alleen uit de mouw van de creatief concepter, maar zijn allen tot op de korrel nauwkeurig onderzocht. Waarmee niet gezegd is dat we alles weten, natuurlijk. De tips hieronder, komen voort uit recent wetenschappelijk onderzoek, en uit mijn eigen praktijk.

De methode die ik heb ontwikkeld- en waarvan hieronder een klein deel staat – is een mengeling van:

– Wetenschappelijke inzichten, academisch onderzoek van derden;
– Theatertechnieken;
– Televisionele technieken;

Een onterecht zwaar onderbelicht onderdeel bij gidsen en bij museumdocenten, is de performance van de eigenlijke rondleiding zelf. Meestal is een museumgids vrijwilliger en ontbreekt het het museum aan fondsen om goed onderricht te geven. Goed opgeleide gidsen hebben een grotere invloed op kennisoverdracht bij bezoekers. Rondleiden in de praktijk komt zo nauw, dat je het haast niet meer kunt overlaten aan enthousiasme alleen. Men verricht heel wat onderzoek op dit gebied. Onderzoek waar je gebruik van kunt maken. Helaas komt deze materie maar zelden bij de vrijwilliger terecht, op de werkvloer. De meeste vrijwillige gidsen zijn verschrikkelijk goed gemotiveerd, daar zal het niet aan liggen. De plaats die zij in een organisatie innemen, is ook debet aan het gebrek aan nieuw verworven inzichten. Zelfs al werk je betaald bij het museum, is het a) de vraag of je bij de goeie wetenschappelijkebron kunt komen, en, b) of je het voor elkaar krijgt, de meestal gortdroge informatie kunt onttrekken aan de onderzoeken. Buiten het feit dat het nogal vakidioterige materie is, is het ook nog zo dat je niet zomaar bevinding nr. 1 naast bevinding nr. 2 kunt leggen.

Naast alle nieuwe inzichten, is er natuurlijk ook nog gewoon de vertrouwde vorm van theater, waarmee ik graag werk. Een methode die iedereen leuk vindt, en bovendien een die mij in staat stelt om elke cursist voldoende persoonlijke begeleiding te geven. De onderbuik moeten we niet vergeten.

Ik geef een kleine voorproef uit de methode. Veel plezier! 

De 1e 5:

  1. Laat het publiek wijzen. Dat verhoogt de gezamenlijke betekenisgeving, en daarmee opbouw van kennis.
  2. Verspreide aandacht in de groep/rommelig? Engageer 1 persoon uit de groep met hoge status, en laat hem kijken en wijzen/gebaren. Dit nodigt de rest tot meekijken en zet een keten van actie en reactie in werking, waarmee je hen weer bij de les krijgt;
  3. Bij jeugd: Ook heel kleine bewegingen/veranderingen in lichaamshouding, duiden op deelname.
  4. Plaatsing lichaam/rotatie torso richting de schilderijen, is al een non-verbaal teken / richting geven aan concentratie, zowel als de aandacht afwenden van spelers/toeschouwers die niet direct deel uitmaken van de ontmoeting/encounter;
  5. Buitensluiting van spelers die niet bij het proces horen, vind ook plaats door aangepast geluidsniveau, fysieke orientatie tov de buitenstaanders;

 

De 2e 5:

  1.  Nabijheid stimuleren: Verhoogt de mogelijkheid tot promptingdoor gebaren;
  2. Nabijheid en afstand zijn 2 manieren om de wil tot interacteren te stimuleren: wel of niet participeren in de gegeven actie;
  3. Niet participeren, is OOK interactie. Buitenstaanders/niet-deelnemers aan een gesprek of interactie-ook een nonverbale -geven een signaal af waarmee ze laten merken geen deel uit te maken van de interactie; In de overdracht van groepskennis belangrijker dan je zou denken;
  4. Non-interactie/niet-deelnemers kun je ook bij het proces betrekken door hen deel te laten uitmaken van de nonverbale taal die de groep bindt: Door hen bijv ook te laten wijzen, waardoor zij dezelfde symbolische taal spreken, of hen een vraag te stellen, die hen bindt aan het centrale thema, en daarmee het groepsbegrip;
  5.  Deelname van bezoekers, kent 3 rollen: De performer; de toeschouwer(s) en de omstanders;

 

deelnemers conversatie met tekst

 

De 3e 5:

  1. De rol van performing word verkregen door de sociale interactie onderling, zich aanpassende , veranderende rollen, naarmate de interactie zich ontvouwt, door turntaking onderling;
  2. Bij elke sociale interactie, moet de performer peilen of zijn handelingen worden bijgevallen, zowel als zien of zij makkelijk en naar behoren worden geinterpreteerd door het publiek. Dat peilen gebeurt tijdens de acceptatiefase die volgt op elke interactie (performance); dat wil zeggen wanneer het publiek zijn deelname bevestigd of begrip heeft van wat er zojuist gebeurde. Die acceptatie kan zich uiten in “turntaking” in de vorm van spraak en door erkennings-tekens als hoofdknikken, nabijheid (naderen) en (glim)lachen. Turntaking is het wisselen van rollen. Een groepslid (publiek) is nu performer, etc.
  3. Duidingen in gebaren is een manier om gezamenlijke aandacht te genereren en gezamenlijke orientatie onder de deelnemers;
  4. Het gebruik van gebaren vormt visuele of verbale verbindtenissen (vectors) onder de participanten, in interactie zowel als met het beoogde punt van aandacht, op dezelfde manier als blikrichtingen of gebaren doen;
  5. Steeds veranderende rollen in het proces, onderbouwt het belang van een fysieke context;

De 4e 5:

  1. Wijzen/refereren is een manier om iets in de omgeving te duiden, terwijl men een intrinsieke verbindtenis sluit tussen de “performer” en het beoogde punt van aandacht, en er vervolgens de aandacht van de geadresseerde op vestigt;
  2. Wijzen zorgt voor een gezamenlijke orientatie / zelfde richting uit;
  3. Wijzen is al een vorm van gericht denken: het is letterlijk een index-keuze;
  4. Wijzen is een “prompt”, die gericht een respons uitlokt;
  5. Gebruik “motion verbs” als hier, dat, daar, om de symbolische lading / het nonverbale, concreet te pairen aan de fysieke wereld;

De 5e 5:

  1. Bij kinderen werkt de motion verb “kijk” heel sterk, wat gezien moet worden als een uitnodiging tot iemands ervaring van aanschouwen (Katz; 1996);
  2. Verbs of motion zijn geintegreerd onderdeel van overstijgende gemeenschappelijk handelen/acteren, om de ander uit te nodigen tot ervaring van hetzelfde punt van perceptie;
  3. Mensen vertrouwen meer op wijzen en minder op taal, naarmate de afstand kleiner wordt;
  4. Mensen hebben allerlei manieren om te verhullen dat ze deelnemen aan het groepsproces (involvementshields). Zelfs de kleinste beweging kan gezien worden als actieve deelname aan het proces en de aanwezigheid van andere spelers/deelnemers erkennen, door bodyshifts, anders gaan staan, zelfs stilte;
  5. Laat mensen zo veel mogelijk dingen aanraken;

 

Groepsdynamiek, sequenties en ritme: Een afsluitertje

– Verspreide aandacht in de groep/rommelig? Engageer 1 pers uit de groep met hoge status, en laat hem kijken en wijzen/gebaren. Dit nodigt de rest tot meekijken.

– Non-interactie/niet-deelnemers kun je ook bij het proces betrekken door hen deel te laten uitmaken van de nonverbale taal die de groep bindt: Door hen bijv ook te laten wijzen, waardoor zij dezelfde symbolische taal spreken; Ze voelen zich meer bij de groep horen en ook de groep zal bij een hogere groepsidentiteit,meer voor elkaar open staan; Zich anders ten opzichte van elkaar bewegen.

Afsluiten / transitie.

Zeker jonger publiek is heel erg gewend aan korte televisionele sequenties. Als iets onze tijd typeert, dan is het wel het fenomeen sequenties en serialisatie dientengevolge. We zijn als mens geneigd om verbanden te willen zien, ook tussen voorwerpen die eigenlijk niet bij elkaar horen. Als we er niet al een mooi verhaal bij hebben, dan zorgen we in ons hoofd dat we ze ” clusteren”. Zo moet je geen 20 absolute topstukken uit je museum, in een en dezelfde vitrine zetten, want de bezoeker loopt er zo aan voorbij: Het feit dat ze allemaal bij elkaar liggen, zijn door de bezoeker al geclusterd, en omdat het er zo veel bij elkaar zijn, zal het wel heel gewoontjes zijn of niet de moeite waarrd… dus loopt men er voorbij.

– Gebruik overgangen in je verhaal samen met de ruimte en met taalgebruik/narratieve structuur. Het publiek ervaart de ruimtelijke indeling- DE ultieme manier om zich te orienteren -ook als een verhaal. Als de basiskenmerken voor orientatie er niet zijn, raakt ‘ ie gedesorienteerd. Daarom is plaatsing en routing binnen het museum zeer belangrijk, omdat de bezoeker ook visueel gezien, de patronen van een verhaal gebruikt. Er zijn heel erg veel factoren die hem vervolgens van dat verhaal kunnen afbrengen en zorgen dat hij de weg kwijt raakt.

Als je een verhaal op zeker moment gaat samenvatten of je gaat door naar een volgend hoofdstuk, zorg dan dat je dat ook fysiek markeert, door bij een deur of doorgang te gaan staan. De bezoeker zal die 2 zaken met elkaar in verband brengen, waardoor een beter begrip van de bezoeker bij je verhaal ontstaat. In je verhaal gebruik je op die momenten, woorden die overgang of afsluiting suggereren, als “tenslotte” of ” tot zover, zo goed”, op het moment dat je naar een fysieke overgang komt. Die overgang kan zijn, van de ene naar de andere ruimte, maar ook deuren (open en gesloten), vormen voor het publiek een onderbreking in het verhaal van de ruimte.

Stemgebruik

Je stem is natuurlijk heel belangrijk. Zeker volwassenen zijn heel gevoelig voor een belerende toon. Je rol als gids is natuurlijk een “rare”, want je weet dingen die je aan publiek wil overbrengen. Toch is het een kwestie van structuur aanbrengen in je verhaal en soorten woorden die je gebruikt, en je als”acteur” te verhouden tot het publiek. Simpel gezegd: van binnen ben je een autoriteit ten opichte van de bezoeker, van buiten ben je een gesprekspartner, net als een collega zou zijn.

BRONNEN: Zie deze link

Views: 67

Add a Comment

You need to be a member of DesignThinkers Academy Network to add comments!

Join DesignThinkers Academy Network

Forum

Customer discovery - would love your thoughts

Started by Nikki. Last reply by Arne van Oosterom Nov 30, 2017. 1 Reply

Human-centered design and service work?

Started by Christopher Federer Oct 12, 2017. 0 Replies

Promoting my book

Started by Aaron A. Palileo Sep 12, 2017. 0 Replies

Events

Badge

Loading…

© 2018   Created by Arne van Oosterom.   Powered by

Badges  |  Report an Issue  |  Terms of Service

Offline

Live Video